Ik heb samen met mijn ex-partner twee kinderen: een zoon van 9 jaar en een zoon van 12 jaar. Sinds vier jaar zijn wij uit elkaar en sindsdien hanteren we een co-ouderschapsregeling van 50/50. De kinderen verblijven afwisselend een week bij hun moeder en een week bij ons, met wissel op zondag. Tijdens vakanties wordt dit verdeeld in week/week-regelingen of twee weken/twee weken tijdens de zomervakantie.
Over het algemeen verliep deze regeling werkbaar, al verliep de communicatie met mijn ex-partner soms moeizaam.
Ongeveer een jaar geleden kwam onze jongste zoon tijdens zijn verblijf bij ons vertellen dat zijn moeder fysiek geweld gebruikte tegenover zijn oudere broer. Volgens hem werden eventuele zichtbare sporen nadien verzorgd zodat wij daar een week later niets meer van konden merken.
Wij hebben daarop onmiddellijk aan de alarmbel getrokken en beslist om de kinderen tijdelijk niet meer naar hun moeder te laten gaan, in afwachting van verdere juridische stappen en duidelijkheid rond de situatie.
Tijdens deze periode kwamen ook andere zaken aan het licht. Zo bleek dat de kinderen in hun hele jeugd amper enkele keren naar de tandarts waren geweest. Daarnaast gaven de kinderen aan dat zij van hun moeder moesten zeggen dat ze hun tanden poetsten en geen tandpijn hadden, terwijl dit volgens hen niet zo was. Ook op vlak van schoolopvolging, hygiëne en dagelijkse zorg ervaren wij dat de kinderen daar vaak aan hun lot worden overgelaten.
Na meerdere gesprekken en gerechtelijke stappen stelde mijn ex-partner uiteindelijk voor om via bemiddeling verder te werken. Daarbij gaf zij aan akkoord te gaan met een middelbare school die centraal gelegen zou zijn tussen beide ouders, eens onze jongste zoon ook naar het middelbaar zou gaan.
Recent moesten wij voor onze oudste zoon scholen opgeven voor het eerste middelbaar via het Antwerpse aanmeldingssysteem. Daarbij hebben wij gekozen voor:
de middelbare afdeling van zijn huidige school;
of een school die centraal ligt tussen beide woonplaatsen.
Uiteindelijk werd hij toegewezen aan de centraal gelegen school.
Sindsdien geeft mijn ex-partner echter aan dat zij hem niet wil brengen of ophalen van school, zowel nu als later voor onze jongste zoon. Zij heeft bovendien tegen onze oudste zoon gezegd dat hij vanuit haar woning dagelijks ongeveer een uur heen en een uur terug met het openbaar vervoer zou moeten reizen.
Wij hebben aangegeven dat wij tijdens onze weken de kinderen zoals altijd zelf naar school zullen blijven brengen en ophalen.
Onze oudste zoon heeft ondertussen zelf aangegeven dat hij liever tijdens de schoolweken hoofdzakelijk bij ons verblijft, en zijn moeder voornamelijk in de weekends ziet, bijvoorbeeld drie op vier weekends. Hij geeft aan dat dit voor hem meer rust, stabiliteit en ondersteuning zou bieden, onder andere op vlak van school, structuur en dagelijkse verzorging.
Wij vragen ons daarom af in welke mate een rechter rekening houdt met de wens van een kind van 12 jaar in dergelijke omstandigheden, zeker wanneer er bezorgdheden bestaan rond opvoeding, begeleiding en welzijn.