Zaak opnieuw voor vrederechter brengen. Welk artikel?

Etienne meert
Topic Starter
Berichten: 1
Juridisch actief: Nee

Zaak opnieuw voor vrederechter brengen. Welk artikel?

#1 , 05 jul 2024 12:51

Zaak in verstek terug vr de vrederechter brengen , op basis welk artikel?

Marcus Aurelius
Berichten: 3863
Juridisch actief: Nee

#2 , 05 jul 2024 17:16

Hoger beroep bij verstek in eerste aanleg = verzet tegen een in laatste aanleg gewezen vonnis
Het Grondwettelijk Hof heeft zich op 6 februari 2020 uitgesproken in het kader van een prejudiciële vraag betreffende artikel 1047, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek.

Else DW tekent verzet aan tegen het verstekvonnis van de ondernemingsrechtbank te Gent, waarbij ze werd veroordeeld tot de betaling van een bedrag aan de nv T. Deze vordering zou niet ontvankelijk zijn, aangezien het verstekvonnis niet in laatste aanleg is gewezen.

Het Hof wordt gevraagd of deze bepaling bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, waarin:

de partij die verstek laat gaan in een burgerlijke procedure geen verzet kan aantekenen tegen een niet in laatste aanleg gewezen rechterlijke beslissing (art. 1047 GW), terwijl
een partij die verstek laat gaan in een strafrechtelijke procedure waarin tevens burgerrechtelijke vorderingen worden behandeld, wel verzet kan aantekenen tegen een niet in laatste aanleg gewezen rechterlijke beslissing, en dit ook wanneer het verzet uitsluitend de burgerrechtelijke veroordelingen betreft (art. 187 WSV).
De burgerlijke procedure en de strafrechtelijke procedure beantwoorden aan onderscheiden doelstellingen en hebben fundamenteel verschillende voorwerpen.

Het verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende procedureregels in verschillende omstandigheden houdt op zich geen discriminatie in. Van discriminatie zou slechts sprake zijn indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van de procedureregels een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen met zich zou meebrengen.

Met de beperking, in burgerlijke zaken, van de verzetsmogelijkheid tot verstekvonnissen waartegen geen hoger beroep mogelijk is, had de wetgever als doelstelling de finale geschillenbeslechting te bevorderen, en zo toe te laten dat de gerechtelijke procedure overeenkomstig artikel 6, lid 1, van het EVRM binnen een redelijke termijn kan worden beëindigd.

Het feit of het verstekvonnis al dan niet vatbaar is voor beroep werd als criterium van onderscheid gekozen: zo beantwoordt het op passende wijze de bedoeling van de wetgever, zonder dat het recht om een gewoon rechtsmiddel aan te wenden al te zeer wordt beperkt.

De maatregel om niet te voorzien in de mogelijkheid van verzet tegen een verstekvonnis waartegen hoger beroep mogelijk is, is pertinent in het licht van de nagestreefde doelstelling.

Het verzet is een gewoon rechtsmiddel dat openstaat voor de partij die bij verstek is veroordeeld teneinde, vanwege het rechtscollege dat bij verstek heeft geoordeeld, een nieuwe beslissing na een debat op tegenspraak te verkrijgen.

Een verstekvonnis dat niet in laatste aanleg werd gewezen, blijft vatbaar voor hoger beroep, wat de betrokken persoon de mogelijkheid biedt ten volle zijn rechten van verdediging uit te oefenen.

Uit artikel 1047, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek vloeit voort dat het hoger beroep ingesteld door een oorspronkelijke verweerder die bij verstek in eerste aanleg is veroordeeld, voortaan dezelfde finaliteit heeft als het verzet door een oorspronkelijke verweerder tegen een in laatste aanleg gewezen vonnis: namelijk de debatten heropenen die plaatshadden voor het rechtscollege waarvoor de zaak eerder aanhangig was, teneinde de elementen van tegenspraak te bezorgen aan het rechtscollege in hoger beroep waarover de eerste rechter niet beschikte, en bijgevolg het rechtscollege in hoger beroep toe te laten een nieuw vonnis te wijzen.

Het gaat aldus in beide hypothesen erom het beginsel van de tegenspraak en de rechten van verdediging te doen naleven.

De in het geding zijnde bepaling leidt dus niet tot een onevenredige beperking van de rechten van de in burgerlijke procedures betrokken partijen. Ze schendt artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.
------------------------------------------------------------------------
wat baat kaars en bril, als de uil niet zien en lezen wil.

Reclame

Terug naar “Procedure, Spelers & Instellingen”